3.1 Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling
De balans biedt inzicht in de vermogenspositie van de provincie. In de volgende paragrafen is de toelichting op de balans opgenomen.
Algemeen
De grondslagen van waardering en resultaatbepaling zijn in overeenstemming met het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV). De waarderingsgrondslagen zijn vastgelegd in de 'Financiële verordening provincie Flevoland 2026'.
Algemene grondslagen voor het opstellen van de jaarrekening
De algemene grondslag voor de waardering van activa, alsmede voor de resultaatbepaling, is de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. De vervaardigingsprijs bestaat uit de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. Tenzij bij het desbetreffende balansonderdeel anders is vermeld, worden de passiva opgenomen tegen de nominale waarde.
De baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben. Winsten worden slechts genomen voor zover zij op balansdatum zijn gerealiseerd. Verliezen en risico's die hun oorsprong vinden vóór het einde van het begrotingsjaar, worden in acht genomen indien zij vóór het opmaken van de jaarrekening bekend zijn.
In de kolom 'Begroting 2025 Ontwerp' in de diverse tabellen van deze jaarstukken zijn zowel de baten als lasten vanuit de Programmabegroting 2025 opgenomen (vastgesteld in de Statenvergadering van 13 november 2024).
Toerekening subsidielasten
Uitgaven en nog resterende betalingen uit hoofde van verstrekte boekjaar- en exploitatiesubsidies worden als last aan het boekjaar toegerekend waarop de subsidiebeschikking betrekking heeft, tenzij de subsidieontvanger een afwijkend boekjaar kent en de in de subsidiebeschikking genoemde periode het boekjaar van de provincie overstijgt. In dat geval wordt de subsidielast naar rato over de verschillende boekjaren verdeeld.
Verstrekte meerjarige projectsubsidies
Met ingang van het boekjaar 2021 is ten aanzien van de lastneming uit hoofde van verstrekte projectsubsidies een stelselwijziging doorgevoerd. Dit betreft een stelselwijziging die onder het BBV verplicht is gesteld. Op grond van het nieuwe stelsel worden subsidielasten uit hoofde van meerjarige projectsubsidies – boven een door PS vastgesteld grensbedrag – verantwoord op basis van het toerekeningsbeginsel. Dit betekent dat de subsidielast verantwoord dient te worden in het jaar waarin door de subsidieontvanger de activiteiten (waarvoor de subsidie is verstrekt) worden uitgevoerd en (gedeeltelijk) aan de gestelde subsidievoorwaarden is voldaan. De commissie BBV biedt de mogelijkheid tot instellen van een grensbedrag. Meerjarige projectsubsidies boven het grensbedrag dienen verantwoord te worden op basis van het toerekeningsbeginsel. Dit grensbedrag bedraagt € 0,025 mln. In overeenstemming met het BBV is het grensbedrag gesteld binnen de range van 0,00% en 0,25% van de totale lasten inclusief toevoegingen aan de reserves over het boekjaar. Lasten uit hoofde van meerjarige projectsubsidies kleiner dan het grensbedrag, dienen volledig te worden verantwoord in het jaar van aanvang van het project zoals vermeld in de subsidiebeschikking. Het nieuwe stelsel is redelijk in lijn met het stelsel dat tot en met voorgaand jaar door provincie Flevoland werd toegepast, deze stelselwijziging heeft daarmee een beperkte financiële impact.
Een verstrekte projectsubsidie groter dan € 0,025 mln. wordt bij afgifte van de subsidieverleningsbeschikking op basis van het verwachte bestedingsritme zoals opgenomen in de subsidieverleningsbeschikking toegerekend aan de betreffende boekjaren. Voor het einde van het boekjaar wordt bij projectsubsidies groter dan € 0,125 mln. aan de hand van de financiële voortgangsrapportages van de subsidieontvangers vastgesteld of de werkelijke bestedingen overeengekomen met het verwachte bestedingsritme. Bij significante afwijkingen wordt een gewijzigde subsidiebeschikking door de provincie verstrekt en vindt een correctie plaats van de verantwoorde subsidielasten. Bij subsidies tussen de € 0,025 mln. en de € 0,125 mln. wordt geen financiële voortgangsrapportage gevraagd, hier dient de subsidieontvanger significante verschillen te melden. Onder de niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen zijn, voor zover de verstrekte meerjarige projectsubsidies nog niet als last in het boekjaar zijn verantwoord, de resterende verplichtingen uit hoofde van de verstrekte meerjarige projectsubsidies toegelicht.
Deze stelselwijziging is prospectief verwerkt met ingang van 1 januari 2021. Dit betekent dat verstrekte meerjarige projectsubsidies na 1 januari 2021 zijn verantwoord op basis van het nieuwe stelsel; voor verstrekte meerjarige projectsubsidies voor 1 januari 2021 is het oude stelsel toegepast.
Verbonden partijen
Organisaties die volgens de definitie van het BBV kwalificeren als verbonden partij zijn opgenomen en toegelicht in paragraaf 6 'Verbonden partijen'. Overeenkomstig de voorschriften van het BBV worden deze verbonden partijen niet geconsolideerd in de jaarrekening van de provincie.
Toerekening provinciefonds
De bate inzake het provinciefonds wordt toegerekend aan het jaar waarop deze betrekking heeft. Op grond hiervan wordt in de jaarrekening van jaar t de provinciefondsuitkering opgenomen overeenkomstig de in jaar t laatst gepubliceerde circulaire, te weten de decembercirculaire van jaar t.
Normenkader
Om te kunnen bepalen of de provincie financieel rechtmatig handelt, hebben PS op 18 februari 2026 het 'Normenkader rechtmatigheid 2025' vastgesteld. Het Normenkader betreft een inventarisatie van alle voor de financiële rechtmatigheid van belang zijnde externe en interne wet- en regelgeving. Hierbij gaat het zowel om Europese regelgeving, wettelijke bepalingen als eigen regelgeving, zoals verordeningen vastgesteld door PS. Maar ook andere besluiten van PS met een kaderstellend karakter en die bepalingen bevatten over financiële beheershandelingen, zijn een verplicht onderdeel van het normenkader (begroting, PS besluiten over investeringsvoorstellen en beleidsnota’s).
Vaste activa
Immateriële vaste activa
Bijdragen aan activa van derden: deze worden gewaardeerd tegen het bedrag van de verstrekte bijdragen, verminderd met de afschrijvingen. De verleende bijdragen worden afgeschreven in de periode waarin het betrokken actief van de derde op basis van de gestelde voorwaarde moet bijdragen aan de publieke taak.
Materiële vaste activa met economisch nut
De materiële vaste activa met economisch nut zijn gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs, vermeerderd met bijkomende kosten en verminderd met bijdragen van derden en cumulatieve afschrijvingen. De activa worden lineair afgeschreven.
Na afstoting van materiële vaste activa worden boekwinsten of verliezen ten gunste of ten laste van de exploitatie als incidentele baten of lasten verantwoord. Investeringen < € 0,05 mln. worden niet geactiveerd.
Tabel 3.2: Materiële vaste activa
Afschrijvingstermijn | |
Gronden en terreinen | n.v.t. |
Grond-, weg- en waterbouwkundige werken | 40 |
Gebouwen* | 30 |
Grote motorvaartuigen | 30 |
Technische installaties bedrijfsgebouwen, overige motorvaartuigen | 15 |
Kantoormeubilair, veiligheidsvoorzieningen bedrijfsgebouwen | 10 |
Kantoorapparatuur, telefooninstallatie, automatiseringsapparatuur en –programmatuur, telecombekabeling, motorvoertuigen | 4 |
Servers | 4 |
*Mocht sprake zijn van erfpacht, dan is afschrijvingsduur aangepast naar erfpachtperiode.
In 2021 is de aangepaste financiële verordening vastgesteld, waarbij afschrijvingstermijnen van kantoorapparatuur, telefooninstallatie, automatiseringsapparatuur en –programmatuur, telecombekabeling, motorvoertuigen zijn aangepast van 5 naar 4 jaar en de afschrijvingstermijn van servers van 3 naar 4 jaar. Dit heeft in 2021 geleid tot verschillen ten opzichte van de begroting. Vanaf 2022 zijn deze aangepaste afschrijvingen in de begroting verwerkt.
Binnen provincie Flevoland zijn geen investeringen met economisch nut waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven. Deze categorie is dan ook niet opgenomen in de balans.
Investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut
Investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut betreffen voornamelijk infrastructurele werken in de openbare ruimte, zoals aanleg en reconstructie van wegen, vaarwegen, bruggen, viaducten, groen en kunstwerken. Deze worden vermeerderd met bijkomende kosten en onder aftrek van bijdragen van derden geactiveerd. De ondergrond van deze werken wordt daarbij als integraal onderdeel van het werk beschouwd. Deze activa worden eveneens lineair afgeschreven.
Tabel 3.3: Materiële vaste activa met maatschappelijk nut
Afschrijvingstermijn | |
Verhardingen en kunstwerken | 40 |
Overige investeringen in de openbare ruimte | 20 |
Financiële vaste activa
Binnen de financiële vaste activa zijn de volgende categorieën te onderscheiden:
- deelnemingen (participaties in het aandelenkapitaal van vennootschappen): deze zijn gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs van de aandelen. Tot dusver is een afwaardering niet noodzakelijk gebleken. De actuele waarde ligt boven de verkrijgingsprijs. Dividendopbrengsten van deelnemingen worden als bate genomen op het moment waarop het dividend betaalbaar wordt gesteld;
- kapitaalverstrekkingen aan gemeenschappelijke regelingen en verstrekte langlopende leningen: deze zijn opgenomen tegen de nominale waarde. Zo nodig is een voorziening voor oninbaarheid in mindering gebracht.
Vlottende activa
Vorderingen
De vorderingen worden gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs. Voor verwachte oninbaarheid is een voorziening in mindering gebracht. De voorziening wordt bepaald op basis van de geschatte inningskansen per individuele vordering (statische methode).
Liquide middelen en overlopende activa
Deze activa zijn gewaardeerd tegen de nominale waarde.
Vaste passiva (reserves en voorzieningen)
De reserves en voorzieningen zijn gewaardeerd tegen nominale waarde.
Uitzondering hierop is de pensioenvoorziening voor (oud) gedeputeerden (APPA); deze is berekend op basis van recente actuariële grondslagen zoals toegelicht in bijlage 1 'Toelichting reserves en voorzieningen'. Per 31 december 2020 is de berekening van de pensioenvoorziening gewijzigd naar de berekeningswijze van de uitvoeringsinstantie APG. Daarmee worden andere uitgangspunten gehanteerd dan in voorgaande jaren (op basis van de zogenaamde 'FTK-grondslagen'). Per 2028 zal de voorziening volledig overgaan naar het ABP en zullen zij betalingen en dergelijke overnemen. In 2025 hebben we een extra storting gedaan om aan te sluiten op de dekkingsgraad van het ABP.
Hierbij zijn de volgende uitgangspunten (van de externe pensioenuitvoerder) voor individuele waardeoverdrachten gehanteerd:
- Rekendatum pensioenaanspraken: 31 december 2025;
- Rekenrente voor toekomstige pensioenen: 2,954% (RTS 25 jaar per 30 september 2025);
- Rekenrente voor ingegane pensioenen: 2,704% (RTS 10 jaar per 30 september 2025);
- Benodigde voorziening voor nabestaandenpensioen van toekomstige pensioenen is opgenomen;
- Benodigde voorziening voor nabestaandenpensioen van ingegane pensioenen is, waar nodig, opgenomen;
- Voor bepaling van sterfte wordt uitgegaan van periodetafel GBM/V 2010-2015;
- Onbepaald partnersysteem met gehuwdheidsfrequenties volgens uitgangspunten voor individuele waardeoverdrachten;
- Geboortedatum en geslacht van bestuurder in combinatie met leeftijdsterugstelling (mannen -5/-1 en vrouwen -3/-3);
- Indexatie van pensioenen per 1 januari 2026.
De berekeningen zijn gemaakt met deze uitgangspunten met een rekenrente van 0%.
Daarnaast zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd voor collectieve waardeoverdrachten (van de externe pensioenuitvoerder):
- Rekendatum pensioenaanspraken: 31 december 2025;
- Rentetermijnstructuur per 31 december 2025;
- Prognosesterftetafel van 2024 van het Actuarieel Genootschap;
- Benodigde voorziening voor nabestaandenpensioen is opgenomen;
- Benodigde voorziening voor nabestaandenpensioen van ingegane pensioenen is, waar nodig, opgenomen;
- Correctie ervaringssterfte op basis van Verbond van Verzekeraars (ES-P2);
- Onbepaald partnersysteem met gehuwdheidsfrequenties volgens uitgangspunten individuele waardeoverdrachten;
- Geboortedatum en geslacht van bestuurder;
- Kostenvoorziening voor uitvoeringskosten;
- Opslag in partnerpensioentarief voor wezenpensioen voor actieve en uitkeringsdeelnemers;
- Risico-opslag partnerpensioen voor pensioendatum;
- Bufferopslag gebaseerd op laatst bekende dekkingsgraad van ABP (= 122,2% per november 2025);
- Indexatie van pensioenen per 1 januari 2026 is opgenomen.
Aan de (overige) voorzieningen wordt geen rente toegevoegd.
Vlottende passiva
De vlottende passiva zijn gewaardeerd tegen de nominale waarde.
Borg- en garantstellingen
Voor zover leningen door de provincie gewaarborgd zijn, is buiten de balanstelling om het totaalbedrag van de geborgde schuldrestanten per einde boekjaar opgenomen (tegen nominale waarde).
